Verloop van volledige zonsverduisteringen

Partiële fazen (tussen het eerste en het tweede contact en tussen het derde en het vierde contact).

Het eerste contact heeft plaats op het ogenblik waarop de maanschijf, die tot dan toe niet zichtbaar was, de zonneschijf raakt. Een kleine deuk wordt zichtbaar in de overigens perfect cirkelvormige zonneschijf. Gaandeweg bedekt de maan een steeds groter stuk van de zonneschijf. Indien er zonnevlekken aanwezig zijn, verdwijnen ze n voor n achter de maanrand. Vermits de maan het zonlicht volledig tegenhoudt, is dit een goede gelegenheid om vast te stellen dat de zonnevlekken verre van helemaal zwart zijn. In feite zijn het gebieden op de zon waar de helderheid tussen 10% en 50% bedraagt van de helderheid van de rest van de fotosfeer.

Deze fase van de verduistering verloopt geleidelijk en duurt vrij lang : ongeveer een uur voor de verduistering van 11 augustus 1999. Zolang meer dan een derde van de zonneschijf zichtbaar blijft, is de vermindering van het omgevingslicht niet merkbaar. Voor een niet-gewaarschuwde waarnemer kan deze fase onopgemerkt voorbijgaan. Men maakt in feite exact hetzelfde mee als bij een gedeeltelijke zonsverduistering, een fenomeen dat voor een gegeven plaats op aarde veel vaker voorkomt dan een totale zonsverduistering: de laatste twee in België hadden plaats in mei 1994 en oktober 1996.

Na het derde contact, dus na het einde van de totaliteit, verloopt de partiële fase symmetrisch in omgekeerde volgorde. De maan trekt langzaam weg van de zonneschijf, tot het vierde contact plaats heeft. Op dat ogenblik is de verduistering volledig voorbij. Buiten het gebied waar de verduistering totaal is (en dus in het grootste deel van België), blijft de verduistering gedeeltelijk. Niettemin zal de maximale grootte overal in België tussen 95% en 100% bedragen, zodat op het ogenblik waarop de verduistering totaal is in het uiterste zuiden van België, in de rest van België de zonneschijf bijna volledig bedekt zal zijn, wat op zich al een heel uitzonderlijk verschijnsel is.

Gedurende de laatste 20 tot 30 minuten vr de totaliteit blijft minder dan een derde van de zonneschijf zichtbaar, en neemt de vorm van een sikkel aan. Hoewel deze sikkel steeds smaller wordt, blijft hij verblindend, en blijven voorzorgsmaatregelen geboden. Het omgevingslicht vermindert gestaag, eerst nog vrij traag, later steeds sneller. Op dat ogenblik worden zowel de mensen als de andere levende wezens gewaar dat een ongewoon fenomeen op komst is. Dit gaat via allerlei tastbare tekenen die aantonen dat een zonsverduistering het enige astronomische fenomeen is dat zich ook op aarde voltrekt.

De waarnemer gaat zelf deel uitmaken van het spektakel. Het licht wordt steeds meer getemperd. Bij zonnig weer blijft het landschap verlicht, maar na verloop van tijd wordt een zonnebril overbodig, gezien er niet meer licht is dan op een sombere, bewolkte dag. Het fenomeen wordt steeds intenser, en in de laatste minuten voor de totaliteit baadt de waarnemer in een maanachtig licht, dat inktzwarte schaduwen met ongewoon scherpe randen afwerpt. Bijgevolg zal in heel het land en in grote delen van Europa het zonlicht gedurende ongeveer een half uur rond de totaliteit (in België omstreeks 12h 25m, zomeruur) fel in intensiteit afnemen. Of het nu zonnig of betrokken is, het kunstlicht (wegen, auto's, woningen) zal moeten aangestoken worden. Dit zal in sommige gevallen automatisch gebeuren. Als u echt van de zonsverduistering wil genieten, loop dan niet het risico u in de buurt van een verlichtingspaal te bevinden waarvan het licht plots aangaat.

Terwijl de zonnesikkel steeds smaller wordt, blijft hij even intens licht geven. Het is leuk om te zien hoe elke kleine opening een beeld van deze sikkel projecteert. Onder de bomen vormen zich duizenden beeldjes van de sikkel, een voor elk gaatje tussen de bladeren. Men kan zelf heel eenvoudig zulk een gaatje improviseren, door beide handen kruisgewijs op elkaar te plaatsen, en telkens een kleine opening te laten tussen de middelvinger en de ringvinger. Indien de schaduw van de handen ver genoeg geprojecteerd wordt, zal in het midden van de schaduw de vorm van de sikkel verschijnen. Ondertussen wordt de omgeving zelf benvloed. De temperatuur gaat dalen. Het koelste ogenblik heeft normaal plaats 10 tot 15 minuten na de totaliteit, en dan kan het 10 graden kouder zijn dan voorheen. Indien er geen wind was, kan deze plots opsteken; indien er wel wind was kan deze van richting veranderen, of helemaal wegvallen. Dieren en planten gedragen zich zoals bij valavond (en nadien zoals bij dageraad). Vogels houden op met vliegen en zwijgen, terwijl wilde en tamme dieren zich klaarmaken voor de nacht.

Gedurende de laatste vijf minuten verloopt het verschijnsel zo snel, dat men heel alert moet zijn om niets te missen van alles wat simultaan gebeurt. Het rauwe licht van de zonnesikkel neemt plots heel snel af, en wordt vervangen door het getemperde en diffuse licht van de hemelachtergrond. Deze ziet er uit als bij de schemering, en is donkerblauw. Aan de westelijke horizon verschijnt een grijze, en later zwarte zone, die langzaam de hemel inpalmt. Het is de naderende schaduw van de maan die op de atmosfeer (of eventueel op de wolken) geprojecteerd wordt. Nog voor de totaliteit aanvangt zullen in dat donkere deel van de hemel de eerste sterren zichtbaar worden. De voornaamste planeten en de helderste sterren verschijnen 2 tot 3 minuten voor het tweede contact. Tijdens de totaliteit wordt een groot deel van de hemel zeer donker blauw, zoals tijdens de schemering, terwijl het indirecte licht dat komt van de gebieden die buiten de totaliteit gelegen zijn, door de atmosfeer verstrooid wordt. Dit verstrooide licht is geel tot oranje, en doet denken aan een zonsopkomst of -ondergang. Het schijnt aan de horizon te ontspringen en zich in alle richtingen te verspreiden, vaak op onregelmatige wijze.

Op dat ogenblik kan men eveneens het fenomeen van de vliegende schaduwen waarnemen. Het is een netwerk van alternerende lichte en donkere banden die constant in beweging zijn, soms snel, soms minder snel. Dit vluchtig fenomeen wordt veroorzaakt door de breking van de smalle lichtbundel die van de zonnesikkel afkomstig is, door de turbulente lagen van de hogere atmosfeer. Het is verwant aan het twinkelen van een ster bij nacht. Doordat het contrast tussen deze banden zeer gering is, is het fenomeen zeer moeilijk te fotograferen. Om het visueel te zien, beschikt men best over een helder en egaal oppervlak. Of het verschijnsel inderdaad zal te zien zijn, is moeilijk te voorspellen, want het hangt af van de toestand van de hogere atmosfeer.

Tweede en derde contact

De enkele seconden net vr en net na de totaliteit zijn waarschijnlijk de meest indrukwekkende. Het is heel donker geworden, maar niet volslagen duister. De donkere boog van de maanschaduw trekt met hoge snelheid langs de hemel, en bereikt de rand van de zon op het ogenblik zelf van het tweede contact. Reeds enkele tientallen seconden vr dit tweede contact is de zonnesikkel zo smal geworden dat aan de overkant (de westkant van de zon) de zonnecorona zichtbaar wordt. De sikkel en de corona vormen samen de zogenaamde "diamantring". Plots brokkelt de zonnesikkel af, en valt uiteen in een reeks heldere punten en bogen, die snel smaller worden om vervolgens volledig te verdwijnen. Het zijn de "parels van Baily", die gevormd worden door het zonlicht dat nog door de valleien tussen de bergen op de maan kan schijnen. Dit spektakel is heel aangrijpend, maar heel kort, want het duurt slechts 2 tot 3 seconden. Alleen waarnemers langs de rand van de totaliteitszone kunnen dit verschijnsel langer waarnemen (een tiental seconden), en zullen de parels zien verschijnen en weer verdwijnen langsheen een groot stuk van de rand van de maan. Zij zullen de totaliteit net missen, maar voor enkele wetenschappers is dit de kans om onze kennis omtrent het relif van de maan te verbeteren.

Na het verdwijnen van het laatste restje fotosfeer, kan gedurende een paar seconden een straal of boog waargenomen worden met een felle rode of roze kleur. Het is de chromosfeer, een dunne laag van de zonneatmosfeer net boven de fotosfeer, die heel helder is in de golflengte van waterstof (de zogenaamde H-alfa lijn, in het rode gedeelte van het spectrum). Vandaar zijn naam: chromosfeer betekent letterlijk "kleursfeer". Op dat ogenblik wordt de hemel plots heel donker, terwijl de corona zich "ontvouwt". Tenminste, dat is de prachtige indruk die men krijgt bij waarnemingen met het blote oog. En daarmee is de totale fase van de zonsverduistering begonnen. Die fase zal eveneens op symmetrisch wijze bij het derde contact een einde nemen, door alle verschijnselen van het tweede contact in omgekeerde volgorde te laten verlopen.

De totaliteit

Na deze heel snelle opeenvolging van vluchtige fenomenen, volgt tijdens de totaliteit een periode van schijnbare rust waarin nauwelijks iets verandert. Het spektakel van de zonnecorona te midden van de sterren, geeft de indruk dat ze daar voor eeuwig aan het firmament geprent staat. Enkel de kleine verplaatsing van de maanschijf ten opzichte van de corona kan met een telescoop of een verrekijker vastgesteld worden. Natuurlijk is deze indruk slechts schijn, want het fenomeen duurt maar enkele minuten, en men moet klaar staan om het verschijnsel te fotograferen of te filmen als men een herinnering naar huis wil meenemen. Bovendien is een juist lopend uurwerk (of beter: een elektronische timer) heel nuttig om zich niet te laten verrassen door de plotse wederverschijning van de fotosfeer bij het derde contact. Opgelet voor de ogen, vooral als men door een optisch instrument kijkt !

Aan de hemel zullen de sterrenbeelden verschijnen die anders 's nachts in de winter te zien zijn (verschuiving van zes maanden), evenals enkele planeten. Mercurius en Venus zullen zich in de onmiddellijke nabijheid van de zon bevinden. Misschien zullen Saturnus en Jupiter laag in het westen te zien zijn. Maar dat alles vervalt in het niets vergeleken bij het onvergetelijk schouwspel van de corona : een uitgebreid lichtgevend schijnsel rond de zwarte maanschijf.

De corona wordt gevormd door een reeks stralenbundels, waarvan de vorm onregelmatig is, en niet te voorspellen valt. Ze zijn te zien tot op ongeveer anderhalve graad van zon, waar ze ongeveer verdrinken in het azuurblauw van de hemelachtergrond. Aan de rand van de zon is de corona ongeveer even helder als de volle maan, maar aan de verste uiteinden heeft ze nog nauwelijks een duizendste van die helderheid. Enkel het menselijk oog (eventueel met behulp van een verrekijker) kan zich aan die extreme contrasten aanpassen ; het fenomeen op beeld vastleggen zal veel moeilijker zijn.

Trouwens, geen enkele foto van een zonsverduistering is er tot nu toe in geslaagd de wonderlijke visuele indruk van de corona op de blauwe hemelachtergrond weer te geven. Nochtans is de corona niet gekleurd, want ze wordt gevormd door verstrooiing van het licht van de fotosfeer. De protuberansen daarentegen, die soms kunnen waargenomen worden aan de rand van de zon, hebben dezelfde roos-rode kleur als de chromosfeer. Het zijn bogen of tongen van materie die kouder is dan de corona.



Eclipse
Homepage

KSB-ORB
Homepage
Last updated on 15/02/2000 by CM